Harmonie
Men moet niet alleen zijn eigen religie vereren en de religie van anderen veroordelen, maar men moet ook eerbied hebben voor de religie van anderen. Door dit te doen helpt men zijn eigen religie om te groeien en is men ook andere religies van dienst. Door anders te handelen graaft men een graf voor zijn eigen religie en brengt ook schade toe aan andermans religie. Wie zijn eigen religie vereert en andere religies veroordeelt doet dit vanwege toewijding aan zijn eigen religie en denkt ’Ik zal mijn eigen religie verheerlijken’. Maar het tegendeel is waar; door dit te doen brengt men zijn eigen religie ernstige schade toe. Daarom is harmonie goed : laat allen luisteren en bereid zijn te luisteren naar de leringen die door anderen worden onderwezen.
(Keizer Asoka, 3-de eeuw v. Chr. - in : Walpola Rahula, Wat de Boeddha onderwees)
Twee eeuwen na het overlijden van de Boeddha ontstond er in noord India een groot rijk dat geregeerd werd door Keizer Asoka (ca. 272-232 v. Chr.). Dit rijk strekte zich uit van Bengalen tot oost-Afghanistan en de rivier Narmada in het zuiden. Op latere leeftijd bekeerde keizer Asoka zich tot het Boeddhisme. Hij heeft een grote rol gespeeld in de verspreiding van het boeddhisme, onder meer door het uitzenden van boeddhistische missionarissen.

|
|
 |